Freedom for Scotland?

Hoe goed ken jij je mede AEGEE’ers buiten de Ome Ko om? Je zou bijna vergeten dat er naast het bier en het geglobetrotter ook nog wordt gestudeerd! Naar aanleiding van scripties en ander studie gerelateerde lolligheid, zal de redactie om de zoveel tijd iemand uitnodigen om ons te verbljiden met zijn of haar wijsheid. Als eerste in de reeks is hier Stephan Teunissen, voorheen een geschiedenisstudent die een tijdje in Schotland heeft gestudeerd en aan dit mysterieuze land zijn bachelorscriptie heeft gewijd.

18 september 2014 kan een historische dag worden voor de Schotten. Ze mogen zich dan in een referendum uitspreken of ze al dan niet onafhankelijk willen worden van het Verenigd Koninkrijk. Alhoewel dit dus een spannende dag belooft te worden, staat de uitslag al zo goed als zeker vast. Volgens recente opiniepeilingen hebben tegenstanders van de onafhankelijkheid een voorsprong van 7 tot 20 procent.

Dat er een referendum gehouden zal worden, is echter al een een belangrijke gebeurtenis op zich. Tot ver in de twintigste eeuw voelden de Schotten zich niet in de eerste plaats Schots, maar Brits. Met belangrijke uitvindingen zoals de stoommachine, het Britse imperium en de National Health Service raakte Schotland politiek en economisch sterk verbonden met de overige delen van het Verenigd Koninkrijk. Glasgow, nu een stad vol met roestig staal en vergane glorie, werd ook wel “the second city of the empire” genoemd. Met het British empire, een sterke economie en een uitgebreide verzorgingstaat hadden de Schotten kortom alle reden om trots te zijn op hun Britsheid. Typische Schotse symbolen zoals de kilt, de doedelzak en whisky werden maar al te graag door de Britse elite gebruikt om Schotland verder te integreren in het Verenigd Koninkrijk. Wat is er dan misgegaan?

In de loop van de jaren 60 en 70 begon de Schotse economie behoorlijke gebreken te vertonen. Waar op het Europese vasteland het ene na het andere wirtschaftswunder plaatsvond en de economieën in rap tempo moderniseerden, bleef de Britse economie echter vaststeken in een proces van remmende voorsprong genoemd. Omdat het economisch zolang goed ging werd er nauwelijks geïnvesteerd in modernisering. De werkloosheid steeg enorm en met name Schotland werd getroffen. Toch gloorde er hoop aan de horizon voor de Schotten in de vorm van het zwarte goud dat ook wel olie genoemd wordt. Echter, de meeste inkomsten van deze schat gingen naar de centrale regering in Londen. Dit viel niet echt lekker bij veel Schotten die vonden dat zij benadeeld werden. Met slogans als “It’s Scotlands oil!” begon de Schotse Nationale Partij (SNP) haar eerste successen te boeken. Echter, in 1979 werd in een referendum zelfbestuur nog verworpen. Er was nog een katalysator nodig om het Schotse nationalisme tot volle wasdom te brengen.

Deze katalysator kwam er in de vorm van een ‘one-woman revolution’ die de naam Margaret Thatcher droeg. Deze vrouw, even geliefd als gehaat, liet een nieuwe economische wind waaien in het Verenigd Koninkrijk waarbij het keiharde marktmodel weer werd ingevoerd. Ze draaide de geldkraan van de overheid dicht, privatiseerde hele industrieën en brak de (buitensporige) macht van de vakbonden. Het al zo geplaagde Schotland kreeg het nog zwaarder te verduren. De werkloosheid steeg verder, hele industrieën verdwenen en Edinburgh werd de heroïne-hoofdstad van Europa. Was het stemgedrag in Schotland vroeger gelijk aan de rest van het Verenigd Koninkrijk, nu stapten veel Schotten over van de Conservatieve Partij naar Labour. In het zuiden van Engeland was de situatie echter een stuk florissanter en Thatcher won verkiezing na verkiezing. Veel Schotten kregen het gevoel dat ze weinig in te brengen hadden in Londen. Er ontstond een ‘democratic deficit’. Voor het Schotse klaagzang had Thatcher weinig oor, wat haar tot op de dag van vandaag gehaat maakt in brede lagen van de Schotse bevolking. In de tijd dat ik in Schotland studeerde noemde mijn docent politicologie Thatcher al in de eerste les een bitch.

De oppositiepartijen zagen hierin hun kans om campagne te voeren voor een eigen Schotse parlement binnen het Verenigd Koninkrijk. Belangrijk hierbij was dat de SNP ook meedeed. Ze hadden hun eerdere eis voor onmiddellijke onafhankelijkheid laten varen voor een realistischer koers van een geleidelijke weg naar onafhankelijkheid. Dit resulteerde in 1997 in een referendum, waarbij driekwart van de Schotten voor een eigen parlement stemde en twee derde ook instemde dat dit parlement zelf belasting kon heffen. Na 290 jaar unie met Engeland kon het Schotse parlement weer bijeenkomen. De meeste partijen waren hiermee dik tevreden en de gedecimeerde Schotse Conservatieven konden er ook wel mee leven. Voor de Schotse nationalisten was dit natuurlijk niet genoeg. Zoals vaak het geval is werd de regerende Labourpartij minder populair naarmate de tijd vorderde en kon de SNP haar kans grijpen. In 2005 werd zij al de grootste partij in het Schotse parlement en bij de verkiezingen van 2011 behaalde de SNP zelfs een absolute meerderheid. Eindelijk hadden zij het mandaat om een referendum over onafhankelijkheid door te voeren.

Over dit mandaat kan wel het een en ander aangemerkt worden. De SNP behaalde weliswaar een absolute meerderheid aan zetels, maar bleef qua stemmen op 44 procent steken. Ook was het succes van de SNP deels te danken aan het aantreden van een regering in Londen geleid door de geminachte Conservatieve Partij. Belangrijker was nog dat veel Schotten niet zo zeer op de SNP stemden omdat ze voor onafhankelijkheid waren, maar ook vanwege andere factoren die de partij aantrekkelijk maakte. Ten eerste vormde de centrumlinkse SNP een aantrekkelijk alternatief voor teleurgestelde Labourkiezers. Ten tweede was Alex Salmond, de leider van de SNP, een belangrijke troef voor de partij. Deze moderne William Wallace kwam met zijn uiterlijk over als een vriendelijke reus met wie je rustig een pint kon drinken. Zoals tegenwoordig vaak het geval is stemden veel Schotten op de man en niet de partij. Tenslotte wilde een aanzienlijk deel van de Schotten weliswaar een referendum over onafhankelijk maar niet de onafhankelijkheid zelf.

Het referendum lijkt kortom, als de opiniepeilingen kloppen, gedoemd te mislukken. Waarom maken de Schotten niet de finale stap naar de vrijheid die ooit zo mooi is bevochten door Mel Gibson in de film Braveheart? Wel, de meeste Schotten hebben wel door dat onafhankelijkheid misschien niet zo’n goed idee is. De houding van de meeste Schotten die ik ontmoet heb zou ik kunnen samenvatten als emotioneel voor, rationeel tegen. Er zijn wel een aantal punten in te brengen die tegen onafhankelijkheid pleiten. Het belangrijkste is wel het simpele feit dat Schotland economisch sterk afhankelijk is van de rest van het Verenigd Koninkrijk. Vergeleken met het rijke zuiden van Engeland is Schotland nog steeds een arm buitengewest. Weliswaar stromen er oliegelden van de Schotse boorplatforms naar de regering in Westminster, maar evenzogoed stroomt er veel overheidsgeld naar het relatief arme Schotland. Wat voor gevolgen zou onafhankelijkheid hierop hebben? Ook het hele proces om onafhankelijk te worden is een dure operatie. Weliswaar heeft de SNP een blauwdruk gepubliceerd hoe de onafhankelijkheid bereikt moet worden, maar het is maar de vraag hoe dit in praktijk uitpakt. Ten slotte is het onduidelijk wat voor gevolgen onafhankelijkheid zal hebben op bestaande verdragen en internationale organisaties waar het Verenigd Koninkrijk, en daarmee Schotland, lid van is. Schotland zou zich bij onafhankelijkheid graag willen aansluiten bij de Nordic Council (bestaande uit de Scandinavische landen en Ijsland), maar zitten die landen daar wel op te wachten? Kan Schotland wel lid blijven/worden van de Europese unie?

Dit brengt mij op het laatste punt, wat voor AEGEE altijd interessant is: Europa. José Manuel Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, heeft onlangs in een gesprek met de BBC gezegd dat een onafhankelijk Schotland wellicht niet tot de EU zal kunnen toetreden. Nieuwe lidstaten kunnen namelijk alleen toetreden met toestemming van andere lidstaten. John Swinney van de SNP benadrukte echter dat Schotland, als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk, al 40 jaar lid is van de EU. De SNP is opvallend Eurofiel. Tot de kredietcrisis was de partij zelfs voorstander van invoering van de euro. In het Europees parlement is SNP vertegenwoordigt in Europese Groene Partij-Europese Vrije Alliantie, waartoe ook Groenlinks behoort. (deze fractie krijgt buiten het parlement overigens ook steun van de Fryske Nasjonale Partij) De fractie staat bekent als overwegend pro-Europees. Voor veel separatistische partijen in Europa maken supranationale organisaties als de Europese Unie hun wens voor onafhankelijkheid realistischer. Niet voor niets waren bij de laatste verkiezingsoverwinning van de Vlaams-nationalistische N-VA naast Vlaamse vlaggen ook Europese vlaggen te zien.

Schotland zal dit jaar hoogstwaarschijnlijk niet onafhankelijk worden. Toch kan er niet ontkent worden dat er iets in gang is gezet. Als Schotland niet onafhankelijk wordt kan het net zo goed Catalonië zijn die de weg naar onafhankelijkheid bewandelt. Of Baskenland, Wales, Corsica of Beieren. Misschien valt België wel uit elkaar en komen Noord en Zuid-Ierland bij elkaar. Grenzen veranderen zolang de tijd strekt en dat is in de huidige globaliserende wereld niet minder het geval. Toch denk ik dat de Schotten, enigszins mopperend, nog wel een tijdje bij het Verenigd Koninkrijk zullen blijven.